Interview met dr. Frank Brandsma van de Universiteit Utrecht door Mariska Reniers.

In mijn stageonderzoek valt het me voortdurend op dat er op een andere manier naar fantasy wordt gekeken, dan naar canonieke literatuur. Ik vroeg me af hoe dat kwam en ging hiervoor in gesprek met dr. Frank Brandsma. Brandsma is senior docent en onderzoeker aan de Universiteit van Utrecht vergelijkende literatuurwetenschap met de nadruk op de middeleeuwen. Ik vroeg hem naar de visie van de literatuurwetenschappers op fantasyliteratuur.

Parallellen
Brandsma benoemt dat er veel gelijkenissen zijn tussen fantasy en wat door de wetenschappelijke wereld als literatuur wordt gezien: “In de cursus Utopian Fiction worden teksten behandeld die ingebed zijn in de canon, zoals Utopia van Thomas More. Dat is een officieel, door iedereen erkend startpunt en dan kun je gemakkelijk naar andere teksten kijken. Dan komt er eigenlijk redelijk wat fantasy en science-fiction bij kijken. Dat geldt ook voor een term als speculative fiction. Dat is eigenlijk gewoon fantasy.”

Veel elementen die belangrijk zijn in de literatuurtheorie, komen volgens Brandsma ook veelvoudig voor in fantasy. Als eerste voorbeeld noemt hij het posthumanisme. Dat is gelinkt aan het idee van het antropocene: er is een menselijke periode en deze zal eindigen doordat hogere machten de wereld van ons overnemen. Dit is bijvoorbeeld een thema in de verhalen van horrorschrijver H.P. Lovecraft, maar komt volgens Brandsma ook veel voor in fantasy. Een ander voorbeeld dat hij aanhaalt is ecocriticism. Dit is een belangrijke tendens binnen de literatuurwetenschap, maar ecocriticism speelt ook een belangrijke rol in fantasy zoals in de verhalen van Tolkien. Eveneens onderwerpen als cultural memory studies en literatuur als traumaverwerking komen volgens Brandsma terug in fantasy-literatuur. Hij concludeert: “Je ziet dat je met een achtergrond als literatuurwetenschapper veel verbanden kunt leggen naar de fantasyliteratuur, maar er zijn niet zo veel literatuurwetenschappers die genoeg kennis van fantasy hebben, om deze verbanden te kunnen leggen. Ik denk dat dat een beetje het probleem is.”

Een investering
“Je moet er ook wel in investeren. Je moet een liefde voor het genre hebben. Je moet veel pagina’s achter de rug hebben voor je een beetje een beeld krijgt van hoe dat genre werkt en wat er nu bijzonder aan is en wat goede en minder goede fantasy is. Een van de dingen die volgens mij ook wel een rol gespeeld hebben, is dat er ook heel veel slechte fantasy is.” Brandsma benoemt dat je bepaalde toppers hebt in de canonieke literatuur, zoals Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch. Bij fantasy verschijnt er ontzettend veel en veel van hetzelfde en daardoor is het moeilijk om daar de toppers uit te halen. Dit heeft te maken met persoonlijke smaak, maar ook met een rijpingsproces. Brandsma zegt: “Het is gemakkelijker voor de literatuurwetenschap om te kijken naar de ‘al gerijpte’ teksten die er in de wereldliteratuur zijn dan om zo’n relatief nieuw genre als het ware helemaal in kaart te brengen en te zeggen: dit zijn de toppers, daar moeten we naar kijken.”

Oorzaken voor de lage waardering van ‘fantasy’
Brandsma geeft een uiteenlopend antwoord op de vraag wat de oorzaken zijn van de lage waardering voor fantasy.
Zo kan het volgens hem te maken hebben met de ‘hokjes’, de categorieën waarin de boeken worden geplaatst: “wat in het hokje ‘fantasy’ geplaatst wordt, wordt niet in het hokje ‘literatuur’ geplaatst.” Een andere reden noemt hij het ‘pulpgehalte’: “Het gehalte pulp is bij fantasy veel groter dan bij romans. Daar zijn ook wel flutboeken, maar die slaan meestal af in een andere categorie. De literaire categorie sluit zich een beetje af, en bij fantasy is dat wat meer gemengd.”

Vervolgens stelt Brandsma dat fantasy een bepaalde drempel heeft waar je overheen moet kunnen stappen: “Je moet mee kunnen gaan met het verhaal. Je hebt the willing suspension of disbelief nodig en daar moet je bij het lezen van fantasy beter in zijn dan bij het lezen van een realistische biografie van iemand. Sommige mensen willen alleen verhalen lezen die zouden kunnen bestaan. Dat is een leesvoorkeur, maar tegelijkertijd is het wel een belemmering: je moet het stapje maken en dan ook binnen het genre waardering krijgen voor de wereld die erin geschapen wordt. Je moet ook geïnteresseerd zijn in andere werelden, waarin je geen directe toepassing kunt vinden die je bijvoorbeeld wel zou kunnen vinden in oorlogsromans.”

Een laatste reden is de verdenking van escapisme: “Je onttrekt je juist aan de werkelijkheid door naar deze elementen te kijken. Als je een paar goede fantasyboeken gelezen of herlezen hebt krijg je waardering voor het vakmanschap en de vertelkunst die eruit springt. En dat vind ik echt heel belangrijk, dat je, net als bij een literaire roman, van de vertelkunst kunt genieten.”

Volgens Brandsma zijn er verschillende redenen aan te wijzen voor het feit dat fantasy een onderbelicht genre is. Er is echter wel steeds meer belangstelling voor het genre in de wetenschappelijke wereld. Dat is te zien aan cursussen zoals ‘Utopian Imagination’, een tutorial die Brandsma nu geeft met de titel ‘The Medieval in Modern Fantasy’ en ook in de bachelor- en masterscripties die studenten schrijven. Wellicht zal een nieuwe golf literatuurwetenschappers op deze manier meer aandacht krijgen voor het fantasygenre. Wie weet zal fantasy ooit een plekje verwerven in de wereldliteratuur.