Adem – Frank Lubbers

 

Adem in

Adem uit

 

Hoe lang zou het zijn? Ik kijk waarschijnlijk al een uur of vier op naar de maan. Minstens. Van de twee dingen waar ik op hoopte heb ik duidelijk de eerste niet gekregen. Mijn rug in het zachte gras. De maan. Een paar uur waarin de kleur geleidelijk veranderd is van hel wit naar zacht oranje. Als ik me inspan, dan zie ik de zachte contouren van een maanlandschap. Twee grote kraters en een pokdalig aangezicht. Ik overdenk een gewelddadig verleden en zie haar littekens boven mij hangen in de hemel. Naast me voel ik de hitte van ons brandende huis.

 

Adem in

Adem uit

 

De minuscule haartjes op mijn arm komen in één schok tot leven en staan rechtop mijn arm tegen de tijd dat ik mijn ogen open doe. Het gegil maakt dat ik binnen een seconde op mijn voeten sta en in de richting van mijn zoontje zijn kamer ren. Achter me hoor ik mijn vrouw roepen: ‘Tim, papa komt eraan!’

De gang naar Tim’s kamer lijkt kilometers lang, hoe kan het dat ik er nog niet ben? Het gegil lijkt ruimte en tijd op te rekken, een scheurend geluid, de soundtrack van mijn eigen horrorfilm in het hier en nu. Ik struikel en val tegen de kamerdeur. Mijn gewicht slaat vol door de oude houten paneeldeur, ik ontwricht mijn schouder, maar het geweld zorgt ervoor dat ik sneller dan ooit de kamer binnen vlieg. Hard land ik tussen de splinters en houtstukken op de vloer van de kamer van mijn zoontje en ik voel de huid van mijn voorhoofd schroeien in de hitte die daar heerst. Met een luide ‘knak’ schiet mijn schouder terug in de kom en de pijn maakt dat ik bijna buiten westen raak. Bijna. Ik voel mijn tranen verdampen op vrijwel hetzelfde moment dat ze worden gevormd. Mijn zicht is wazig. Ik weet alleen niet… Door de klap? Door de hitte? Of door het tafereel dat zich voor mij afspeelt, iets wat onmogelijk zou moeten zijn.

 

Adem in

Adem uit

 

Mijn rug voelt vochtig, mijn nachthemd klam. Ik beweeg niet, maar stel me voor dat bij een beweging het kledingstuk plakt. Als limonadesiroop die dik over de rand van een fles is gedruppeld. Kleverig, maar niet zo sterk als lijm. Viezig en zoet.

Mijn kraag drukt droog en hard in mijn nek, terwijl de oranje maan haar licht over mijn gezicht schijnt. Ik stel me voor dat Tim naast me staat, knielt en mijn haar streelt.

 

Adem in

Adem uit

 

Tim blijft gillen, alsof de huid van zijn vlees afbrandt. Zijn gekrijs laat de lucht voor zijn gezicht trillen. Het beest, het monster dat hem vasthoudt in zijn rechterklauw, kijkt me strak aan. Nachtzwarte ogen. In zijn andere klauw houdt hij iets prachtigs, ik kan niet zien wat het is, maar het lijkt iets levends, iets schitterends, het lijkt wel liefde in haar puurste vorm. Ik kan mijn ogen er niet van afwenden. Het gegil van Tim verstomt naar de achtergrond.

’THOMAS!’ Het beest spuugt mijn naam en blaast me omver en terug door de versplinterde deur. In de verte hoor ik mijn vrouw: ‘Thomas!! Thomas!! Wat gebeurt er?!’

 

Adem in

Adem uit

 

Een gewaarwording vlak onder mijn rechteroog. Het voelt als een zenuwtrekje, maar dan zonder de zenuwen. Is het van inspanning? Of misschien onzekerheid? De blos op mijn wangen is in ieder geval niet één van opwinding. Ik verzin de reden. Het is de wind. Een warme wind die zachtjes als een zijden doek mijn gezicht streelt. Ik geniet van haar aanraking. Een zachte, warme, fijne pijn.

 

Adem in

Adem uit

 

‘Kies!’ De zware stem klinkt alsof hij vanuit de diepste en donkerste kerker van de hel eigenhandig naar boven is geklommen. Ik krabbel terug naar de deuropening en bekijk het beest. Zijn draakachtige onderlijf lijkt volledig verkoold, bij iedere beweging kraakt het als een afstervende boom en er vallen zwarte stukken af als duistere sneeuw die vervaagt in een rokerige mist. Zijn mensachtige torso gloeit oranjerood op met zwarte aderen die pulseren bij iedere beweging en bij ieder geluid. Alles beweegt, alles is wazig en alles lijkt weerzinwekkend heet. Zijn duister gloeiende ogen trekken mijn blik, maar voor de rest zie ik niets van zijn gezicht.

‘Jouw zoon of al het goeds in de wereld?’ Ik kan de vraag niet bevatten, hij is te groots, te bizar, te tegenstrijdig.

 

Adem in

Adem uit

 

Mijn vingers tintelen, zelfs terwijl ze volledig stilliggen. Ik beweeg ze zacht. Denk ik. Teder. Wanneer ik me verbeeld dat het topje van mijn wijsvinger zacht maar stevig op het topje van mijn duim drukt, dan voelt dat als een overwinning. Ik grijns gemeend. Ik ben ervan overtuigd Tim straks weer te zien. Het licht van de maan verlicht mijn gezicht. Ik merk dat ik niet meer gewoon naar de maan kijk. Ik staar.

 

Adem in

Adem uit

 

Ik worstel tegen de hitte en de wind die me buiten de kamer lijken te willen houden. Mijn vel begint te rood te worden, te schilferen, te branden. Ik vecht me naar voren en kijk Tim strak aan. De arme jongen lijkt al bezweken. Hij schreeuwt niet meer, maar kijkt mij nog wel aan. Zijn ogen hangen volledig uitdrukkingsloos in zijn smeltende gezicht en zijn mond hangt halfopen.

‘Eén of iedereen?’ De klauwen knijpen steeds steviger. Ik zie mijn zoon samengeperst worden en de onbestemde schoonheid der dingen in de andere hand verbleken. Een eerste stuk verschroeid vel scheurt en waait van mijn hand af en ik weet dat de rest zal volgen. Ik ga dit niet overleven. Hoe zal mijn zoon mij nu zien? Zijn held die faalt op het moment dat het er echt toe doet. Nee! Dat kan niet! Ik grijp de enige mogelijkheid die ik zie om bij mijn zoon te blijven.

 

Adem in

Adem uit

 

Vocht. Een druppel laat tergend langzaam een koud en oppervlakkig spoor achter vanaf mijn voorhoofd, glijdend naar beneden. De maan verschiet weer van kleur. Een dieprode mozaïek verschijnt aan de hemel. Ik krijg het idee dat mijn brein me voor de gek houdt. De maan een oneindige bron van energie. De maan schijnt als een kleine zachte zon haar koude stralen in mijn irissen. De maan lijkt steeds groter te worden. Steeds warmer. Steeds meer aanwezig. Tim?

 

Adem in

Adem uit

 

Ik duik naar voren en hoor naast me met een misselijkmakend geluid de ribbenkast van Tim het begeven. Mijn vingertoppen absorberen alle warmte en goedheid die het beest in zijn andere hand vasthoudt, liefde overspoelt me. Ik wacht op de genadeklap, zodat ik bij Tim kan zijn. Alle goeds in de wereld gered… het kan me geen reet schelen. Dat maakt mij geen held. Ik hoop enkel op twee dingen: een snelle dood en een leven daarna. Geen tijd voor hoop. Het huis explodeert en ik slinger de tuin in.

 

Adem in

 

Het koude vochtige spoor passeert mijn slaap op haar weg naar beneden. Met mijn tong raak en streel ik zachtjes mijn bovenlip. Het rode licht van de maan brandt fel en dooft dan abrupt. Tim? Ik proef met het puntje van mijn tong nog een druppel. Het smaakt als ijzer.

Tim?

Licht?

Iets?!

Nee… nee!

Ik besef nog net; geen licht, geen beweging, geen warmte, geen samenzijn.

Niets.

 

Adem uit