Als een ware held – Debby Willems

Voorheen begreep ik slechts weinig woorden. Zit, af, mand, braaf … dat soort dingen. Vooruit, het woord nee begreep ik ook best wel – al deed ik meestal van niet – en natuurlijk verstond ik ook mijn naam: Chico.

Ik leefde mijn leven gewoon zoals een Chihuahua in Nederland zijn leven leeft, denk ik zo. Tot de dag dat ik in het bos ineens iets vreemds rook. Met mijn neus laag bij de grond volgde ik de mij onbekende geur naar een metalen vat, waaruit een vloeistof lekte. Mijn besef van wereld was destijds nog zo beperkt dat ik uiteraard niet wist dat het drugsafval betrof. Het donkergrijze goedje rook nog heerlijker dan dat deels vergane konijn vol maden dat ik ooit had gevonden, dus ik kon mezelf niet bedwingen: hier moest ik gewoon in rollen.

‘Nee!’ gilde Baasje zo hoog dat mijn oren er pijn van deden. ‘Foei!’

Ik verstijfde direct. Het F-woord? Mijn staart kroop tussen mijn benen en ik probeerde mijn vacht snel weer schoon te likken, maar dat mocht blijkbaar ook al niet.

Hysterisch huilend nam Baasje me direct mee naar die verschrikkelijke plaats met die nog verschrikkelijkere man: de dierenarts.

Ik praat liever niet over alle vernederende dingen die daar vervolgens gebeurden. Laten we het erop houden dat mijn hartslag pas weer rustiger werd toen ik weer veilig thuis in mijn mandje lag.

Die nacht begon te wereld zo te draaien dat het voelde alsof Baasje een trein wilde halen met mij in haar handtas. Ik wilde opstaan, maar zakte direct weer door mijn pootjes en verdween in een droomloze duisternis.

#

De volgende ochtend waren alle geuren sterker. Ik opende mijn ogen, maar viel bijna achterover bij het zien van zoveel verschillende kleuren dat ik er van duizelde. Ik knipperde enkele malen met mijn ogen totdat ik eindelijk wat rust vond in mijn zicht.

Ik inhaleerde diep. Mijn ogen vernauwden direct: iets klopte er niet. Die geur… Wel verdomme! Ik sprintte naar de keuken en schoot door mijn luikje in de deur naar de achtertuin.

Als ik het niet dacht: die grijze rotkat van de bovenburen zat op de schutting – mijn schutting, welteverstaan. Ze zwiepte uitdagend met haar staart, waarna ze uitgebreid haar voorpoot begon te likken. Het gore lef!

Zo daagde ze me wel vaker uit. Hoe lang ik dan ook naar haar blafte: het kreng bleef altijd gewoon zitten, wetende dat ze zich buiten mijn bereik bevond. Mijn lip kroop omhoog en een grom zwol op vanuit mijn keel. Mijn blaf was zo krachtig dat het dier bijna achterover van de schutting viel.

Nog voordat ze van de schrik was bekomen, nam ik al een aanloop. Vanaf het moment dat ik afzette was het alsof de wereld vertraagde. Haar ogen werden groot en ze probeerde weg te springen, maar mijn kaken zonken in de vacht. Samen tuimelden we de schutting af, zo de naastgelegen tuin in.

Enkele malen schudden bleek al genoeg.

Mijn lichaam vulde zich met trots terwijl ik naar het bloederige hoopje pels keek. Eindelijk had ik mijn terrein kunnen beschermen, als een ware held. Graag had ik het lijk aan Baasje willen tonen, maar mijn gedachten schoten terug naar toen zij en haar broer – volgens mij heet hij Nerd – een superheldenfilmmarathon hielden. Ware helden geven hun identiteit niet prijs, realiseerde ik me nu. Daarom begroef ik het lichaam maar in het bloemenperk van de naastgelegen tuin.

Vervolgens snoof ik diep, en in die enkele inhalatie rook ik alle katten van de hele buurt. Mijn taak zat er nog lang niet op. Ik zou de wereld bevrijden van deze monsterlijke wezens.

#

Baasje gedroeg zich de afgelopen tijd anders, viel me op. Ze neuriede regelmatig, ging vaker in de avond weg en ze had een grote glimlach op haar gezicht wanneer ze weer eens met haar telefoon in de weer was.

Ze was vast blij dat alle katten in de buurt waren verdwenen, bedacht ik me vol trots.

Er was echter wel iets dat me niet helemaal lekker zat: ik rook regelmatig een andere geur aan haar. Uiteraard droeg ze na een dag vaak meerdere geuren van andere mensen bij zich, maar nu er was telkens opnieuw een specifieke geur die er bovenuit sprong. Mijn wantrouwen begon te groeien.

Op een avond stond de veroorzaker van die geur ineens aan de bel met een bos stinkende bloemen. Ik snoof minachtend: ik mocht die dingen nooit omgraven in de tuin, maar nu accepteerde Baasje ze vol gejubel wel van hem? Belachelijk.

‘Dat moet Chico zijn,’ zei de man met een glimlach. Hij wilde me aaien, maar ik trok mijn lip op.

‘Ach, dat is gewoon een beetje bluf van mijn kleine ventje,’ zei Baasje giechelend. ‘Chico doet nog geen vlieg kwaad.’

Ik trok mijn wenkbrauwen op. Technisch gezien was dat waar, maar dat was alleen omdat ik die rotbeesten niet te pakken kreeg. Dat zou nu ook vast geen probleem meer zijn. Die realisatie zorgde ervoor dat ik kort kwispelde.

‘Kijk, we worden al vriendjes,’ zei de man.

Ik snoof. Wat een misinterpretatie. Mijn nekharen sprongen overeind toen de man vervolgens zomaar op de bank plofte.

Terwijl Baasje naar de keuken verdween, besloot ik de vreemdeling even duidelijk te maken dat hij op mijn plaats zat. Met geheven staart liep ik naar hem toe, maar met de zijkant van zijn voet duwde hij me weg. Pardon? Een lage grom zwol aan in mijn keel en ik likte over mijn ontblote tanden.

‘Chico!’ Baasje stond met twee wijnglazen in de deuropening. Op boze toon stuurde ze me in de mand. Ik gehoorzaamde met tegenzin, waarna ik met vernauwde ogen toekeek hoe ze naast hem op de bank ging zitten. Langzaamaan kroop de man steeds dichter naar haar toe, Hij legde op een gegeven moment zelfs zijn hand op haar knie. Het beviel me maar niets, dus argwanend hield ik hem in de gaten.

Giechelend fluisterde ze iets in zijn oor dat ik maar al te goed kon verstaan. Een uitnodiging voor de slaapkamer? Daar mocht ík verdomme niet eens komen! Met vernauwde ogen keek ik toe hoe hij samen met haar de Verboden Kamer betrad. De deur trok hij achter zich dicht.

Ik spitste mijn oren. Wat hoorde ik toch? Deed hij haar soms pijn?

Mijn ogen werden groot. Baasje was in gevaar, realiseerde ik me.

Ik zette af en de deur splinterde toen ik mijn lijf erdoorheen knalde. Hij lag bovenop haar – en dat nog wel terwijl zij op haar rug lag als een teken van onderdanigheid. Het monster!

Zijn ogen werden groot toen ik afzette. Door de kracht van mijn sprong klapten we samen tegen de grond. Mijn tanden zonken diep weg in het zachte vlees van zijn hals. Hij hapte naar adem, maar met enkele flinke rukken wist ik een hap vlees los te scheuren. Rochelend bracht hij beide handen naar zijn hals, maar het bloed gutste zo snel uit de wond dat hij al snel ineenzakte.

Ik likte mijn lippen af, zodat het bloed niet zou opdrogen in mijn vacht. Nu pas zag ik dat Baasje met grote ogen naar mij staarde, haar hoofdkussen vastgeklemd tussen haar armen alsof het haar dierbaarste knuffeldier was.

Trots kwispelde ik naar haar. Ze was veilig, dankzij mij.

#

Baasje had gezegd dat ik braaf moest zijn toen ze me in mijn reiskooi stopte. Aangekomen op onze bestemming was haar blik zo leeg dat er een rilling over mijn rug kroop. Ik kreeg niet eens een aai voordat ze zich omdraaide.

Diep in de nacht was ik nog steeds op deze rare plaats, waar het stonk naar urine, angst en eenzaamheid. Sommige honden hier waren hees van het blaffen, anderen piepten zachtjes.

Baasje liet me nooit zo lang alleen. Er was vast iets mis.

Met mijn tanden wist ik de tralies van de kooi moeiteloos te buigen, vervolgens wierp ik mezelf door een raam naar buiten. De scherven sneden in mijn huid, waardoor mijn vacht al snel plakte van het bloed. Het deed er niet toe; mijn baasje had me nodig.

Ik begon direct te rennen, sneller dan ooit tevoren, geleid door mijn neus. Met mijn versterkte reukzin zou ik haar altijd kunnen vinden, realiseerde ik me. De gedachte deed me kwispelen.

Bij ons huis aangekomen glipte ik door mijn luikje de keuken binnen. Baasje stond bij het aanrecht, waar ze een glas wijn inschonk – zo te ruiken niet haar eerste deze avond. Haar zwarte oogmake-up was uitgelopen en ze rook naar een mengelmoes van zichzelf, opgedroogde tranen en alcohol.

Ik trippelde naar haar toe; mijn nagels tikkend tegen de tegelvloer. Met een ruk keek ze op. Het glas kletste in scherven op de vloer, waarna haar benen zo hevig trilden dat ze op de grond zakte.

Ik kroop bij haar op schoot .

Ze hoefde nooit meer verdrietig te zijn. Geen enkele vreemdeling zou nog bij haar in de buurt komen, daar zou ik hoogstpersoonlijk voor zorgen. Als een ware held zou ik haar beschermen, voor altijd.