Debby Willems – Het Spel

//Debby Willems – Het Spel
Debby Willems – Het Spel 2019-03-07T11:56:58+00:00

Debby Willems – Het Spel

Moeder reed altijd in een rood Daihatsuutje, totdat het koekblik in een kettingbotsing op de A2 genadeloos tussen twee vrachtwagens werd geplet. Uiteraard overleefde moeder dat niet. Pas na dat noodlottige ongeluk bleek dat vader was geëmigreerd. Hij had maanden daarvoor de loterij gewonnen en als groot liefhebber van LARP verkreeg hij zo de middelen om het verschil te maken tussen ‘lekker fanatiek’ en ‘krankzinnig obsessief’. Van het geld had hij zonder iemands medeweten een eiland gekocht waarop hij een kasteel had laten bouwen. Vervolgens had meneer zichzelf ook nog eens tot koning gekroond.
Voorheen zagen we vader hooguit drie keer per jaar, maar alsof het leven één middelvinger nog niet genoeg vond hadden mijn zusje Carissimi, mijn jongste broertje Tribus en ikzelf, Primus, als minderjarigen geen andere keuze dan te verhuizen naar ‘vaders rijk’: Patriam.
Bij aankomst op het eiland probeerde ik me als oudste tevergeefs groot te houden. Vader verwelkomde ons met een brede grijns; compleet blind onze tranen. Hij beloofde me dat ik op mijn vijfentwintigste in zijn voetsporen mocht treden. Al vaders geld zat in het spel, dus koning worden was de enige manier waarop ik nog van zijn rijkdom kon profiteren. Het was het waard, besloot ik. Ook na mijn achttiende zou ik blijven.
De jaren kropen voorbij, maar mijn doel kwam in zicht. Enkele weken voor de kroning voelde ik me echter niet lekker. Vader importeerde veel, maar hypocriet genoeg waren medicijnen en ‘tovenaars uit de andere wereld’ – dokters – niet welkom in Patriam, dus meer dan een ranzige kruidenthee voor het slapengaan zat er niet in. Mijn ademhaling werd zwaarder en plots stond ik naast mijn bed. Vreemd genoeg zag ik mezelf ook nog onder de dekens liggen. Ik keek al even in mijn eigen lege ogen voordat ik besefte dat ik was gestorven.
Als geest was ik onzichtbaar voor de levenden. Het eiland kon ik helaas niet verlaten: telkens als ik dat probeerde stond ik in een flits weer naast mijn graf. Vader gaf geen uitsluitsel over de nieuwe troonopvolger en daardoor bleken mijn broer en zus het spel serieuzer te nemen dan ooit. De stemming tussen het tweetal werd dan ook met de dag grimmiger. Altijd was ik de lijm geweest die de twee bijeen hield, dus het pijnigde me om te zien hoe zij steeds verder uit elkaar groeiden.
Het leven op Patriam was tergend eentonig, totdat vader ziek werd. Dagenlang lag hij op bed, niet in staat ook maar iets te eten. Hij riep Carissimi en Tribus aan zijn bedrand. Toen ik in vaders uitgemergelde gezicht keek, voelde ik voor het eerst bijna iets van medelijden jegens hem.
‘Morgen zal ik mijn opvolger bekend maken,’ zei hij. ‘De ander zal ik verbannen van het eiland.’
Voor het eerst in jaren keken broer en zus elkaar weer aan.
Na zonsondergang beraadde het tweetal zich op het balkon. Uiteraard was ik daar ook te vinden. Ik keek toe hoe Carissimi twee glazen wijn inschonk.
‘We moeten ons niet uit elkaar laten drijven,’ zei ze. ‘Een van ons blijft hier totdat vader sterft. Daarna verkopen we deze zooi en verdelen de erfenis.’
Even voelde ik een sprankje hoop. Tribus trok echter zijn wenkbrauwen op. ‘Je vreest dat vader mij als troonopvolger zal aanwijzen, nietwaar?’
‘Het doet er dan toch niet toe?’ probeerde ze.
Afkeurend klakte hij met zijn tong. ‘Ik heb deze onzin jarenlang vol gehouden. Ik ga niet akkoord met de helft, lieverd. Ik wil alles.’
Het spiertje bij het linkeroog van Carissimi trilde kort. Mijn hoop vervloog direct.
‘Prima,’ sneerde ze. ‘Dan is het ieder voor zich.’
Triomfantelijk hief Tribus zijn glas. ‘Op de nieuwe troonopvolger, dan maar?’
Zonder op antwoord te wachten sloeg hij de wijn achterover. Carissimi bleef opvallend rustig. Zwijgend staarde ze naar haar glas en pas toen Tribus begon te hoesten keek ze op.
‘Smaakte de wijn, broerlief?’
Met open mond keek Tribus naar het bloed op zijn handpalm. ‘Vergif,’ wist hij uit te brengen.
‘Je liet me geen andere keuze,’ zei ze slechts.
Hij strompelde dichterbij. In een snelle beweging greep hij haar bij de haren en trok haar naar zich toe.
‘Ik geen troon, dan jij ook niet,’ siste hij.
Ik keek toe terwijl het tweetal samen over de rand van het balkon verdween. De smak was misselijkmakend.

***

Dus daar liggen we dan: alle drie op een rijtje. Vader zit geknield bij de verse graven.
‘Hebben jullie nu je zin?’ mompel ik. ‘Nu hebben we allemaal ons leven vergooid, en voor wat?’
Mijn zus slaat haar armen over elkaar en Tribus richt zijn ogen zwijgend op de grond. Ik kijk op wanneer ik vader naar adem hoor happen. Het ene moment grijpt hij nog naar zijn borstkas, het volgende staat hij met grote ogen voor ons.
‘Ben ik dood?’ stamelt hij.
‘Welkom, koning van het geestenrijk,’ sneert Tribus.
‘Mijn kinderen,’ zegt vader. ‘Waarom heb ik jullie toch allemaal moeten begraven?’
Tribus wijst beschuldigend naar Carissimi en zet zijn zeurderige stemmetje op. ‘Zij heeft me vergiftigd.’
‘Maar hij trok mij van het balkon,’ mekkert ze terug.
‘Ze heeft Primus vast ook vergiftigd.’
‘Voor de zoveelste keer: ik heb hem niet vermoord.’
‘De omstandigheden waren toch erg verdacht.’
De twee etteren verder, maar ik trek slechts mijn wenkbrauwen op. Deze discussie is al dagen gaande dus de woorden hebben hun lading voor mij inmiddels wel verloren. Vader heft beide handen en maant het tweetal zo tot stilte.
‘Ik heb Primus vergiftigd,’ zegt hij. Zijn gezicht is zo neutraal dat het even duurt voordat de woorden tot me doordringen. Mijn mond wordt droog.
‘Maar waarom?’ weet ik uit te brengen.
Hij haalt slechts zijn schouders op. ‘De troonopvolging ging je niet om het spel. Het ging niemand van jullie om het spel en om mijn liefde evenmin. Het ging jullie slechts om mijn rijkdom.’
Ik kijk omlaag, hopend dat iemand anders het zal ontkennen. Het blijft echter stil.
‘En nu?’ vraag ik zacht.
Vader grijnst breed.
Het spel zal nooit meer eindigen.