Johan Klein Haneveld

Het Paleis van de Eeuwige Koning

Tegen de avond klapten de deuren van de troonzaal open. De linker, een frame van metaal, met houten planken gespijkerd over de rechthoekige gaten, brak af bij de scharnieren en viel ter aarde. De rechter dreunde tegen de muur en rinkelend bezweek ook de laatste scherf glas. Die kon nu nooit meer vervangen worden. Koning Leopol de vierde registreerde het wel, maar had geen tijd zich om het verlies druk te maken. Een muur van lichamen, gehuld in bruine, talloze malen verstelde jassen en mantels, knuppels en zwaarden van roestig metaal in de handen. Het licht van de ondergaande zon dat door de overgebleven hoge ramen binnenviel, deed hun gezichten schijnen als vlammen. Een zee van vuur stroomde naar binnen. De twee wachters aan weerszijden van de troon stapten naar voren. Ze waren gehuld in zware kunststof pantserplaten, met geel verkleurde viziers voor hun ogen en grote schilden. De hele dag hadden ze op hun plek gestaan, nauwelijks een trilling in hun spieren, terwijl van buiten de geluiden van de opstand hadden geklonken. Zelfs de steeds wanhopigere kreten van hun collega’s hadden hen niet in beweging gebracht. Ze waren de laatste verdedigingslinie. Daarom stak Leopol ook zijn hand op. De training van de kleerkasten nam het over. Ook al kwam de menigte gevaarlijk dichtbij, ze keerden terug naar hun plek, hun gezichten volledig emotieloos. Leopol kwam overeind. De mantel van wit kattenbont bleef even over de leuning van zijn zetel haken, maar kwam los toen hij een ruk gaf. Hij tilde zijn handen op.
De meute wist niet wat daarvan te maken. De vooroplopende leiders hadden gerekend op verzet en hun wapens gingen heen en weer alsof ze een doelwit zochten. Op twee meter afstand van hem bleven ze staan. Het geschreeuw en gejoel doofde uit en maakte plaats voor verward gemompel. Leopol stapte naar voren, zijn rug recht, voor zover hij dat kon. Zijn rechter schouder bleef zoals altijd lager dan zijn linker. Hij keek naar de man die in het midden stond, een beer van een vent, zijn enige misvorming een vleeskleurige bult op zijn voorhoofd die half over zijn linker oog hing. De meeste anderen in de menigte waren er erger aan toe. Ze misten een arm, of hadden geen ogen, of gingen gebukt onder zware groeisels. Zijn onderdanen. ‘Wat is dit voor vertoning?’ brulde hij verontwaardigd.
De man met de bult kwam voor de anderen te staan, maar het was niet duidelijk of hij naar voren was gekomen of dat zijn maten waren teruggedeinsd. Hij keek naar links en rechts over zijn schouder, maar kreeg van de anderen geen hulp. ‘We zijn het zat ons voor u dood te werken’, zei hij uiteindelijk. ‘Onze opbrengsten zijn van ons en niet van u. We eisen dat u aftreedt.’
De twee wachten kwamen opnieuw in beweging, maar Leopol gebaarde en ze bleven stokstijf staan. Wel een stap dichter bij de voorste rij burgers.
’Jullie durven wel, zeg. In verzet komen tegen de koning, dat is nog nooit vertoond.’
‘We hebben uw paleiswachten uitgeschakeld’, zei de man. Zijn stem was opgehouden te trillen. ‘Het leger zit opgesloten in de kazerne. Dit is de wil van het volk en daar kunt zelfs u niks tegen beginnen.’
Geknik van de mensen achter hem.
‘Maar het is niet de wil van God’, antwoordde Leopol, zijn woorden koud en bijtend als messen. ’De koning is sinds het begin van de eeuwigheid aangesteld door de hemelse engelen en zij zullen niet aarzelen jullie voor deze heiligschennis neer te bliksemen!’
‘Onzin’, zei de opstandeling. ‘U bent een mens zoals wij! U kunt niet over ons heersen als wij dat niet toelaten.’
‘Denken jullie dan dat de almachtige aan jullie kant staat?’, vroeg Leopol. ‘Kunnen jullie zijn lichtende boodschapper oproepen, hem zijn goedkeuring over jullie laten uitspreken?’
Gemompel van de oproerkraaiers. Een vrouw riep van achteren: ‘De boodschapper is een legende, de koningen spelden ons maar iets op de mouw!’
Leopol zuchtte, alsof hij zijn positie liever niet wilde hoeven bewijzen. ‘Het is duidelijk dat geen ander argument tot jullie zal doordringen. Mijn macht is mij door God gegeven en de engel zal dat bevestigen! Jullie zullen hem uit het niets zien verschijnen, jullie zullen zien dat hij volmaakt is, zonder vlek of rimpel, en hij zal mij verwelkomen als de rechtmatige koning.’
Hij keerde zich om naar zijn troon, en tilde de rechter armleuning op. In de holte daaronder lag een klein rechthoekig voorwerp. Er bevonden zich knoppen op, in vier rijen en bovenaan een glimmend vlak. Een korte antenne stak uit de korte zijde.
Leopol hoopte dat het heilige voorwerp nog zou werken. Zijn vader had het hem gegeven op het moment van zijn troonsbestijging en voor hem de engel opgeroepen. Hij had Leopol op het hart gedrukt er niet te vaak een beroep op te doen, omdat de kracht van de gebeden in de loop van de tijd steeds verder afnam. Alleen in noodsituaties. Maar dat was het in dit geval, zonder enige twijfel. Hij drukte met zijn wijsvinger op de rode knop.
Indringend zoemen klonk vanuit het hoge plafond. Direct daalde een diepe stilte neer op de menigte. In de lucht vlak voor Leopol verscheen de engel. Laagje voor laagje van beneden naar boven. De man was volmaakt, met rechte ledematen en een gezicht zonder misvormingen, krullend donker haar boven een hoog voorhoofd. Hij ging gekleed in een glanzend gewaad, waarop zelfs geen naden zichtbaar waren. Even knipperde het licht en er was een gat in zijn rechterschouder waar Leopol doorheen kon kijken. De engel leek het echter niet te voelen. Hij knikte naar Leopol en stak zijn hand uit. Zijn welluidende stem was tot in de achterste hoeken van de zaal te horen. ‘Welkom in de Koninklijke Bibliotheek. Waarmee kan ik u …’
Het beeld viel weg, maar het was genoeg geweest. De opstandelingen wierpen zich op hun knieën. De heerschappij van Leopol en zijn nakomelingen was opnieuw voor vele jaren veiliggesteld.