Jop van der Meij – De Bekroning

…Niets is zo gevaarlijk als verwachtingen. Vroeg of laat leiden ze tot teleurstellingen, voor jezelf of voor anderen. Hier komt nog bij dat, hoe meer verantwoordelijkheid men je opdringt, hoe gevaarlijker de verwachtingen worden. Ze dwingen je een precaire balans vast te houden tussen wat men wilt dat je doet en bent aan de ene kant, en wat je kunt doen en zijn aan de andere kant. Als je jezelf laat verleiden hieraan mee te doen, dreig je jezelf vroeg of laat te verliezen.

Ik heb het zien gebeuren, keer op keer. Beter is het om alle verwachtingen en verantwoordelijkheden los te laten en er gewoon het beste van te maken. Je kunt anderen helaas niet dwingen hetzelfde te doen, maar in ieder geval jijzelf bent dan voorgoed verlost van elke teleurstelling die het Lot je ooit had kunnen voorschotelen…

~ Fragment uit ‘Fatalisme en Bevrijding’, auteur onbekend.

 

Ik werd wakker van de eerste zonnestralen die naar binnen vielen. De sluiers die voor de ramen hingen, kleurden het licht een grote verscheidenheid aan groen-, rood- en geeltinten. Ze beloofden de komst van een warme dag.

Ongeïnteresseerd draaide ik me om naar de vertrouwde warmte van het lichaam naast me. Zolang ik alle gedachten af zou houden, kon ik vanzelf weer wegglijden in de perfecte droom die we vannacht hadden gedeeld. Niets wat ons zou kunnen scheiden. Alleen wij twee, in een eeuwige omhelzing… Nee. Ik hield mezelf voor de gek en ik wist het. Zo makkelijk zou het niet gaan.

Met tegenzin stapte ik uit bed en raapte één van de dekens op die vannacht op de vloer terecht was gekomen. Zachtjes drapeerde ik hem over mijn schouders. De zijden stof streelde mijn huid bijna net zo teder als mijn geliefde soms deed. Bijna. Ik glimlachte. Met mijn blote voeten op de koude vloer was de verleiding om het bed weer in te kruipen nog groter. Waarom moest ik het zo ingewikkeld maken? Alles wat ik wilde, was daar te vinden. Niemand die het me nu zou ontnemen, in de vroegste uren van de morgen.

Zuchtend wendde ik me af van de verleiding en liep naar de gigantische spiegel aan de wand tegenover het bed. Op de dressoir ervoor lag mijn grootste angst opgebaard, de vorige avond zorgvuldig klaargelegd. Een zilveren kroon op een kussen van aquamarijn fluweel. Zoals hij daar lag, leek het bijna alsof hij me bespotte. Maar zou hij ongelijk hebben?  Al maanden wist ik dat deze dag zou komen, maar nu hij er eenmaal was, wist ik niet of ik er klaar voor was. De ‘koningin’ zou gekroond worden en alles zou voorgoed veranderen, of ik het nu wilde of niet. Een vermoeide zucht ontsnapte uit mijn longen. Terwijl ik de kroon bleef aanstaren, kwam een vraag bij op die ik mezelf verbazingwekkend genoeg nog nooit eerder had gesteld. Hoe zou het zijn hem te dragen?

Voorzichtig tilde ik hem op van zijn kussen. Het koele metaal deed mijn vingertoppen lichtjes tintelen. Met veel wilskracht weerstond ik de neiging het onding op de grond te laten vallen. In plaats daarvan bracht ik hem traag naar boven mijn hoofd en keek naar mijn spiegelbeeld. Zij keek terug met dezelfde mengelmoes aan ambivalente emoties die ik zelf voelde. Ik was me opeens onaangenaam bewust van de knoop in mijn maag. Om mezelf af te leiden, zette ik de kroon haastig op mijn hoofd, waardoor de zijden deken van mijn schouders viel. Het gewicht van de kroon op mijn hoofd was zowel beangstigend als op een rare manier bemoedigend.

Onzeker bekeek ik mijn poedelnaakte spiegelbeeld. Het zilver paste goed bij mijn donkere huid en ogen. Verder wist ik niet wat ik ervan moest vinden.

“De outfit staat u goed, mijn koningin,” klonk het wulps vanuit het bed achter me.

Betrapt draaide ik me om. “Ik…ik was alleen benieuwd.”

Farah keek me alleen maar bijdehand aan, één van haar wenkbrauwen opgetrokken. Hoofdschuddend deed ik haar kroon af en legde hem terug op zijn kussen. Ik was net klaar toen twee armen zich om me heen sloegen. Dankbaar liet ik me in de omhelzing meetrekken.

“En is je nieuwsgierigheid bevredigd, koningin Jamila?” fluisterde mijn geliefde in mijn oor.

Zwijgend liet ik mijn hoofd tegen haar lichaam aanleunen. “Ik weet het niet. Het voelt niet direct beter.”

In de spiegel zag ik hoe Farah’s gezichtsuitdrukking veranderde van speels naar bezorgd. Een tel later keek haar spiegelbeeld me rechtstreeks aan. “Is er iets?”

De knoop in mijn maag werd strakker. Het moet aan mijn hoofd te zien zijn geweest, want Farah verbrak de omhelzing om tussen mij en de spiegel in te staan. Haar prachtige gezicht slechts een handbreedte bij de mijne vandaan. Onwillig verwoordde ik mijn zorgen: “Je kroning is vandaag. En…ik moest aan ons denken. Wat er gaat veranderen.”

Geamuseerdheid lichtte op in Farah’s ogen. “Je weet dat het alleen maar een suffe ceremonie is, hè? Na afloop ben ik niet opeens méér koningin dan ik gisteren was, óf vorige week.”

Twijfelend wendde ik me af van haar doordringende ogen. “Maar het maakt het wel officiëler. En… uiteindelijk zal er iets veranderen, toch? Juist omdat je nu koningin bent? Iets tussen ons…”

Farah zweeg even. Ik wilde graag haar gezicht zien om te kijken wat ze dacht, maar kon me er om één of andere reden niet toe zetten.

“Jamila?” Haar zachte hand draaide mijn hoofd zodanig dat ik haar alsnog aankeek. Farah’s ogen stonden vurig. Strijdvaardig bijna.  “Ik ben de koningin nu. Er gaat niets meer veranderen, tenzij ík dat wil.”

Subtiel dwong ze me naar achteren, totdat ik op het bed plofte. Gedwee ging ik liggen. Farah naderde als een panter, liefde in haar ogen. “Ik houd van jou, Jamila. Alles wordt hooguit beter vanaf nu.”

Ik wilde het geloven. “Maar…”

Voordat ik iets kon zeggen, vonden haar lippen de mijne. Mijn verdediging brak niet veel later. Schaamteloos liet ik me door haar passie meevoeren. Alles was goed.

Voor nu was alles goed.