Ons bestuurslid Heidi van der Vloet is jurylid voor de Fantastic Story Competition. Ze licht in deze blog haar ervaringen hieromtrent toe.

Oh nee he, het is dan toch echt gebeurd. Ik heb me laten strikken om een verhalenwedstrijd te jureren. Ik, die altijd beweer dat ik voor mijn lol lees en dat ik een kritisch kreng ben, als me dat zo uitkomt. En ik, die altijd beweer dat ik vooraf wel duidelijk wil hebben hoeveel werk iets ongeveer is. Want ‘efkes d’r bij’ past niet helemaal meer in mijn filosofie. Nou, laat maar komen, die inzendingen van de Fantastic Story Competition van ABC en de Stichting ter bevordering van het Fantastische Genre!

Wist ik veel dat het er 70 zouden worden. En dat was dan alleen nog maar het Nederlandstalige deel. Gelukkig waren ze wel allemaal kort: 1000 woorden maximaal. Ik houd van korte verhalen. Korte verhalen zijn gecondenseerde magie. Hapklare brokken verwondering in een taalkundig jasje. Heerlijk smulwerk: alsof je een grote schaal verpakte bonbons voor je neus hebt die je allemaal op mag peuzelen. Ik mocht er in één weekend tijd 70 oppeuzelen, maar wel onder voorwaarde dat ik er bij moest bedenken wat ik er nou precies van vond, en de beste er uit moest pikken.

Lee McCoy, Bonbon. Bron: flickr

Bonbons zijn voor mij altijd een beetje eng, want ik ben allergisch voor noten. Ik bijt ze meestal doormidden om een beeld te hebben van wat er in zit. De meeste verhalen waren ook behoorlijk eng, want deze wedstrijd was nu eenmaal begonnen als horrorstory competition. De opgestapelde lijken liggen hier nu tot in de voortuin en de menselijke reserveonderdelen puilen uit de keukenkastjes. Gruwelijke demonen ontspruiten in mijn achtertuin en stromen bloed komen uit het fonteintje in het toilet. Toch slaap ik nog redelijk.

Ik zit nu bomvol korte verhalen. Goede verhalen, slechte verhalen, diepzinnige verhalen, oppervlakkige verhalen, grappige, verdrietige, enge, lachwekkende, saaie, vernieuwende, clichématige, alles door elkaar. En uiteraard een paar juweeltjes.

Ik ga niks verklappen over mijn jurering, maar ik wil wel een paar observaties delen die misschien nuttig zijn voor mensen die ooit mee willen doen aan een (korte) verhalenwedstrijd, of leuk zijn voor andere liefhebbers van korte verhalen.

You cannot pass, Gandalf verkeersbord

Allereerst: Lees het reglement. RTFM, we weten het allemaal maar we zijn er zo slecht in. Sommige verhalenwedstrijden hebben uitgebreide voorschriften, deze wedstrijd niet. De enige eisen waren: max. 1000 woorden, formaat: Word of PDF. Dus geen ODT, RTF, pages of andere exotische formaten. Sorry afvallers! En het was een fantastic story competition (nadat het eerst een horror competiton was), dus moet er in het verhaal minstens één fantastisch element zitten. Zit dat er niet in, dan valt het verhaal buiten de boot. Er waren er een paar bij die op deze manier afvielen, terwijl het op zich best mooie vertellingen waren. Jammer!

Ten tweede: spellingcheck of laat iemand proeflezen. Het is niet erg als je niet ‘de goedste’ bent in Nederlandse spelling, maar zorg ervoor dat er in je eerste alinea nooit meer dan 2 spelfouten of stijlfouten staan. Laat het proeflezen en zet die spellingchecker aan. Als je daar te lui voor bent, lig je er genadeloos uit, zeker bij een wedstrijd waar in de reglementen duidelijk staat aangegeven dat er géén redactie op je verhaal zal plaatsvinden. Ik lees dan niet eens verder, al was je idee nog zo briljant.

Ten derde: een kort verhaal heeft een kop, een middenstuk en een staart. Meestal zit in de staart de pointe, de clou. Ik ken heel weinig ‘sterke’ korte verhalen zonder clou. Ik ken ook nauwelijks ‘sterke’ boeken zonder plot, trouwens. Verhalen waarvan ik me na afloop afvraag wat nu de boodschap was, doen iets fout. De clou is meestal de hele reden waarom je dit verhaal wil vertellen. Vertroetel die clou. Pak hem mooi in en maak hem verrassend.

Ten vierde: Start niet met een uitgemolken cliché. In het fantastische genre kennen we er heel veel. Clichés op zich zijn prima, maar maak er iets vernieuwends van. Ik heb zo veel eerste zinnen in de trant van ‘haar ravenzwarte haar wuifde zachtjes op de najaarsbries’ gelezen, dat ik er een beetje week van werd. Verras je lezer!

Ten vijfde: doe research, of laat weg. In een kort verhaal van 1000 woorden kun je beter weglaten dan fout doen. Ik ben in deze horrorcollectie bijvoorbeeld heel veel lijkenlucht tegengekomen, ook bij dode lichamen die pas net dood waren. Die stinken niet. Echt niet. Of, om maar eens een voorbeeld te noemen, mensen in de zeventiende eeuw die het hadden over buitenaards leven. Dat kan niet. Als er in die tijd iets onverklaarbaars gebeurde, was dat de hand van god, de goden of van de duivel of demonen. Niemand had nog bedacht dat er buitenaards leven zou kunnen zijn. Je diskwalificeert jezelf als schrijver als je niet wil weten hoe dingen in elkaar zitten of hoe mensen leefden in de tijd waarover je schrijft.

Ten zesde: Ik-vertellers in korte verhalen zijn fijn, maar een ik-verteller die aan het einde dood gaat, dat kan alleen als hij door blijft gaan als ondode. Ik denk dat ik toch minstens 8 verhalen gelezen heb met een ik-verteller die zijn verhaal vertelt en aan het eind sterft, zonder ondode situatie. Niet doen! Think about it. Kan niet. Hoe gaat die z’n verhaal vertellen? Er was een ik-verteller bij die duidelijk wel doorging, en dat was dan ook meteen een goed verhaal.

En als laatste iets over persoonlijke voorkeur. Ik houd van verhalen die herkenbaar zijn, die ergens hun worteltjes in de realiteit of actualiteit hebben. Situaties die herkenbaar zijn, maar bij voorkeur volledig uit de klauwen lopen, of op een hele sneaky manier eng worden. Een herkenbare realiteit, maar dan met een gruwelijke twist. Bij fantasy en SF (SF! mijn lievelingsgenre!) geldt eigenlijk hetzelfde: het mag alle kanten op gaan, maar altijd herkenbaar vanuit menselijk perspectief en liefst herleidbaar naar ‘hoe de wereld er nu uitziet’. Of juist zó compleet anders, dat je me er mee van mijn sokken blaast.Kijkend naar verhalen die in het verleden hoge ogen gooiden in wedstrijden, denk ik dat dat voor heel veel lezers geldt.

Ik heb geprobeerd mijn persoonlijke voorkeur zo min mogelijk mee te laten wegen, en te kijken naar de vertelkunst, de clou en de originaliteit van de verhalen. Het was me een waar genoegen!