Daniel Arrhakis, My Heart Will Go On – We Will Be Great Again! Bron: flickr

Brexit, de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten, de situatie in Syrië en de vluchtelingencrisis… De vele onverwachte politieke en maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen maanden kunnen niemand ontgaan zijn. Mensen maken zich zorgen over hoe de nabije en verre toekomst eruit zullen zien. Schrijvers delen hun bezorgdheid in kritische essays, maar ze schrijven ook fictie. In toekomstverhalen tonen ze een mogelijke toekomst om te laten zien welke ontwikkelingen in de maatschappij volgens hen goede of slechte gevolgen kunnen hebben en tot een utopische of dystopische samenleving kunnen leiden. Op deze manier willen ze de samenleving ergens voor waarschuwen of juist laten zien hoe mooi de toekomst zou kunnen worden. Dit is iets van alle tijden.

Toekomstliteratuur, met name de dystopische variant, wordt vooral geschreven in periodes waarin er veel gebeurt en waarin mensen bang zijn voor wat de toekomst zal brengen. Tijdens en vlak na de Verlichting hadden mensen een positief wereldbeeld en dachten ze dat hen een prachtige toekomst te wachten stond. Vanaf de negentiende eeuw verdwenen het positieve wereldbeeld en het optimisme over de toekomst. Volgens Fátima Vieira, die tot vorig jaar voorzitter was van de Utopian Studies Society, was dit direct gerelateerd aan de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen die beangstigende mogelijkheden met zich meebrachten en de opkomst van het totalitarisme. Er verschenen steeds meer dystopische toekomstromans.

Kim Schreurs, stapeltje oude toekomstverhalen

Ook in de periode na de Tweede Wereldoorlog schreven schrijvers over thema’s die iedereen bezighielden. De toekomstromans die verschenen hadden titels als De rode en de witte Lotus (1951), De witte partij (1956) en Inval op Mars (1959). Ze waren geschreven door bekende en minder bekende auteurs als Jef Last, Herman Pieter de Boer en Tjomme de Vries. Ze snijden thema’s aan als het belang van vrijheid, de angst voor oorlog, de mogelijkheden en risico’s van technologische ontwikkelingen en het gevaar van een persoon of instantie met veel macht; destijds actuele kwesties en ook nu herkenbare thema’s.

Carla Npsg, George Orwell 1984. Bron: flickr

Recent werd duidelijk dat toekomstliteratuur ook veel gelezen wordt als mensen iets uit een toekomstbeeld herkennen in de echte wereld. Vorige maand was er plots hernieuwde aandacht voor George Orwells klassieker 1984 waarin een dystopische wereld beschreven wordt die geregeerd wordt door leugens. Vooral vanwege de hierin voorkomende alternative facts was het ineens het best verkochte boek op Amazon.

Het zal waarschijnlijk nog wel even duren voordat de toekomstverhalen die nu geschreven worden in de winkels liggen. Uitzondering is de verhalenbundel De wereld die ons wacht die in maart verschijnt. Ruim twintig literaire auteurs schreven hiervoor een verhaal over de wereld die we aan het creëren zijn. Het initiatief voor deze bundel is genomen door Auke Hulst, schrijver van literaire sciencefictionverhalen, winnaar van de Harland Awards Roman 2015 met de toekomstroman Slaap zacht, Johnny Idaho en met En ik herinner me Titus Broederland genomineerd voor de editie van 2016. Hulst zegt hier zelf over dat een klassieke roman als 1984 laat zien dat (toekomst)literatuur midden in de maatschappij staat en abstracte vergezichten invloedbaar kan maken.

Hulsts visie op toekomstliteratuur is slechts één van de velen. Er is vaak een poging gedaan te definiëren wat er onder toekomstliteratuur verstaan moet worden en vooral hoe deze soort literatuur onderscheiden kan worden van sciencefiction. Binnen de sciencefictionwereld worden toekomstverhalen namelijk als onderdeel van sciencefiction gezien en daarbuiten vaak niet.

J.A. Dautzenberg legde in 1980 al uit dat het verschil tussen toekomstliteratuur en sciencefiction moeilijk te maken is. Hij vindt het zelfs problematisch om utopische literatuur, met name de dystopische variant, buiten de sciencefiction te houden. Onder toekomstliteratuur verstaat Dautzenberg utopische en dystopische literatuur die in de toekomst speelt. Sciencefictionverhalen die in de toekomst spelen worden door hem toekomstfictie genoemd. Hij onderscheidt deze twee soorten verhalen door erop te wijzen dat toekomstliteratuur geschreven is om het functioneren van een maatschappelijke ordening te tonen en dat de handeling hierin een ondergeschikt middel is. Toekomstfictie is daarentegen verhalende literatuur die in de toekomst speelt, net zoals een historische roman in het verleden speelt. Het plot is hierin heel belangrijk; toekomstfictie is grotendeels plotgedreven. Een belangrijk kenmerk van alle utopische literatuur is volgens Dautzenberg dat er een programmatisch element in zit: een aanbeveling om iets te doen of juist te laten.

Xavier Felip Cat, Robot. Bron: Flickr

Ook in latere definities van toekomstliteratuur was er aandacht voor hoe dit genre verschilt van sciencefiction. In het Lexicon van literaire termen uit 1998 werd gesteld dat het verschil is dat in toekomstromans in tegenstelling tot in gewone sciencefictionverhalen maatschappijkritische overwegingen met betrekking tot de politieke stelsels domineren. In het in 2012 verschenen digitale letterkundige woordenboek het Algemeen letterkundig lexicon dat gebaseerd is op het Lexicon van literaire termen is de definitie van toekomstliteratuur iets langer en genuanceerder. Toekomstliteratuur wordt hier als een subgenre van de fantastische literatuur beschouwd. Maatschappijkritiek blijft een belangrijk punt om sciencefiction te onderscheiden van toekomstliteratuur, maar de auteurs erkennen dat het lastig is om het onderscheid vast te stellen. In de praktijk worden verhalen waarin de nadruk ligt op toekomstige politieke of sociale omstandigheden die voortkomen uit reeds in gang gezette ontwikkelingen toekomstliteratuur genoemd. Bij sciencefiction ligt de nadruk vooral op technologische ontwikkelingen en zijn deze een aanleiding tot het beschrijven van een toekomstige samenlevingsvorm.

De samenstellers van het Algemeen letterkundig lexicon wijzen erop dat sciencefiction en toekomstliteratuur – met name de dystopische variant – in bepaalde gevallen samen kunnen vallen. Te ver doorgevoerde technologie of een uit de hand gelopen wetenschappelijk experiment kan in sciencefictionverhalen leiden tot de gehele of gedeeltelijke ondergang van de beschaving. Dit sluit aan bij Dautzenbergs theorie aangezien er in dat geval gewaarschuwd wordt voor de gevaren van technologie en wetenschappelijke experimenten en er dus een programmatisch element aanwezig is. Ook als optimistische toekomstbeelden in een sterk technologisch ontwikkelde samenleving spelen kan er vermenging ontstaan met sciencefiction. In dat geval wordt de technische vooruitgang juist gestimuleerd.

Juist in deze tijd waarin zo veel gebeurt is het goed om stil te staan bij alle gebeurtenissen en hun mogelijke gevolgen, om na te denken over de toekomst en hierover te lezen of schrijven. Laten we hopen dat deze periode ons mooie toekomstverhalen oplevert die ons aan het denken zetten en die mensen ertoe aanzetten actie te ondernemen zodat de dystopische toekomstbeelden nooit werkelijkheid zullen worden. Hoewel toekomstverhalen sciencefiction kunnen zijn, is de grens tussen fictie en werkelijkheid soms angstaanjagend klein.

Perthhdproductions, Town Planners always name housing estates after things they destroy. Bron: flickr

Literatuur

Algemeen letterkundig lexicon. G.J. van Bork, D. Delabastita, H. van Gorp, P.J. Verkruijsse en G.J. Vis. 2012.

Dautzenberg, J.A. ‘Science fiction en literatuurwetenschap: geschiedenis, problemen, bibliografie J.A. Dautzenberg.’ In: Forum der Letteren jaargang 1980, pp. 1-27.

Gorp, H. van, R. Ghesquiere, D. Delabastita en J. Flamend. Lexicon van literaire termen. Groningen: Noordhoff Uitgevers 1998.

Vieira, Fátima. ‘The concept of Utopia’. In: Claeys, Gregory (Ed.). The Cambridge Companion to Utopian Literature. Cambridge: Cambridge University Press 2015: pp. 3-27.